© 2017 by Rob van Zon.

Polyomavirus

Infecties met het Polyomavirus kunnen voorkomen bij alle kromsnavels. Ook andere vogelsoorten zoals roofvogels en zangvogels kunnen besmet raken. Andere namen voor Polyomavirus-infectie bij grasparkieten zijn "Franse rui", "kruipersziekte" en Budgerigar Fledgeling Disease  (BFD).

Grasparkiet

​​Verschijnselen

De verschijnselen van een infectie met het Polyomavirus hangen af van meerdere factoren, zoals de vogelsoort, leeftijd en immuunstatus van de vogel.

Bij jonge vogels veroorzaakt het Polyomavirus meestal sterfte binnen enkele weken, meestal nog in het nest. Wat voor het overlijden op kan vallen aan deze jongen zijn o.a. onderhuidse bloedingen, dikke buik, neurologische afwijkingen, gele uraten, zwakte, braken en het niet goed legen van de krop.

Grasparkieten die de infectie overleven kunnen (soms tijdelijk) afwijkende veren ontwikkelen of de staart- en slagpennen missen; Deze vogels kunnen niet vliegen en worden daarom ook wel "kruipers" genoemd.

Bij zangvogels die de infectie overleven kunnen naast afwijkende veren o.a. ook misvormde ondersnavelsnavels optreden.

Bij volwassen vogels met een goed werkend immuunsysteem veroorzaakt het Polyomavirus zelden ziekteverschijnselen, al kunnen ze dus wel besmet worden. Ook vogels zonder uitwendige ziekteverschijnselen kunnen hierdoor wel besmettelijk zijn voor andere vogels (symptoomloze dragers).

Verspreiding en besmetting

Het virus wordt verspreid via de ontlasting, urine,ademhaling en huid. Het virus blijft buiten het lichaam nog enige tijd besmettelijk. Besmetting met het virus vindt waarschijnlijk met name plaats via het inademen van besmet materiaal.

Diagnose

De diagnose kan door de vogelarts worden gesteld door middel van laboratoriumonderzoek op o.a. bloed of een uitstrijkje van de krop en choane. Het kan zijn dat een genezende vogel nog wel virusdeeltjes uitscheidt en dus besmettelijk is, maar al wel een negatieve bloedtest heeft. Een negatieve bloedtest sluit besmetting dus helaas niet uit. Wanneer een nieuwe vogel wordt geïntroduceerd aan een groep bevattelijke vogels, is het daarom raadzaam om ook na een negatieve bloedtest een quarantaineperiode van 2 maanden in acht te nemen (in deze periode stopt namelijk meestal ook de uitscheiding van het virus bij vogels wanneer het bloed al vrij is geworden van het virus).

Behandeling

Helaas is er geen betrouwbare behandeling voor infecties met Polyomavirus.

Management

Om de kans op besmetting en ziekte te voorkomen is het erg belangrijk om bij het introduceren van nieuwe vogels in een Polyoma-vrije groep, alleen negatief geteste vogels te introduceren en dus, zoals hierboven beschreven, ondanks een negatieve bloedtest alsnog een quarantaineperiode van 8 weken in acht te nemen. Wanneer er met andere papegaaiensoorten gekweekt wordt, is het niet verstandig om (indirect) contact met grasparkieten te laten plaatsvinden. Met name bij vogels waarmee gekweekt wordt moet vanwege het grote risico voor de jongen erg voorzichtig gehandeld worden. Vogels die contact hebben gehad met andere vogels, zoals tijdens een show, moeten worden beschouwd als nieuwe introducees.

Bij problemen door het Polyomavirus in een groep grasparkieten, kunnen de problemen worden teruggedrongen door gedurende 6 maanden niet te kweken, volwassen vogels te verplaatsen naar een schone omgeving en de jonge vogels te verwijderen. De omgeving kan gedesinfecteerd worden.